Ziektebeelden & diagnose
- Mild Cognitive Impairment (MCI)
- De ziekte van Alzheimer
- Fronto-temporale dementie (FTD), progressieve afasie en semantische dementie
- Vasculaire dementie (VaD)
- Dementie met Lewy Lichaampjes (DLB)
- De ziekte van Creutzfeldt-Jakob
- Overige dementiesyndromen
Mild Cognitive Impairment (MCI)
MCI staat voor “mild cognitive impairment”, oftewel milde cognitieve stoornis. Zoals de term deels al aangeeft, hebben mensen, die lijden aan MCI, lichte klachten in één cognitief domein. Dit domein is doorgaans het geheugen. Buiten de subjectieve klachten moeten er ook objectieve aanwijzingen zijn voor geheugenstoornissen. Strikt genomen kan ook een enkel ander cognitief domein aangedaan zijn, bijvoorbeeld geïsoleerde executieve stoornissen.
Tegenwoordig worden de door Petersen et al. geformuleerde criteria het meest gebruikt. Het gaat om een subjectieve en objectieve geheugenstoornis, die niet zo ernstig is dat dit invloed heeft op het dagelijks functioneren. Er mag geen sprake zijn van dementie, en andere cognitieve domeinen mogen niet aangedaan zijn, alhoewel een lichte stoornis in bv. de executieve functies of een milde woordvindingsstoornis wel voorkomt. Naast de Petersen criteria worden ook een CDR (Clinical Dementia Rating, zie bijlage) score van 0,5 en een geheugenscore onder de 1,5 SD voor opleiding en leeftijd gehanteerd voor MCI.
Table 1: Diagnostische criteria voor MCI-criteria volgens Petersen et al. (Arch Neurol 2001;58:1985-1992)
| 1. | Geheugenklachten, bij voorkeur bevestigd door een informant. |
| 2. | Gestoorde geheugenfunctie voor leeftijd en opleiding. |
| 3. | Overige cognitieve functies normaal. |
| 4. | Intacte ADL functies. |
| 5. | Geen dementie. |
De reden dat de diagnose MCI wordt gebruikt, is dat 6 tot 25 % van deze patiënten per jaar converteren naar de klinische diagnose “ziekte van Alzheimer”, of dementie, al naar gelang welke studie en met name ook in welke populatie de studie is uitgevoerd. Een deel van de patiënten met MCI hebben dus feitelijk een preklinische vorm van AD. Andere, deels overlappende, benamingen, zoals “AAMI” (age-associated memory-impairment), “AACD” (Age-Associated Cognitive Decline), “age-related cognitive decline”, “cognitive impairment no dementia” (CIND), “memory-impaired non-demented”, “late-life forgetfulness”, “dysmentia” en “minimal dementia”, zijn door het MCI concept naar de achtergrond verdrongen.
De ziekte van Alzheimer
De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende vorm van corticale dementie en wordt gekenmerkt door een sluipend begin en een langzaam progressieve ontwikkeling van cognitieve functiestoornissen. De prevalentie in Nederland wordt geschat op 250.000 en de jaarlijkse incidentie op 10.000 tot 20.000 (gemiddeld 1 tot 2 per huisartsenpraktijk). Gezien de sterke relatie met veroudering kan deze aandoening zonder overdrijving de “epidemie van de toekomst” genoemd worden.
De ziekte is vernoemd naar de Duitse zenuwarts/patholoog Alois Alzheimer die in 1907 voor het eerst een patiënten beschreef die bij autopsie de kenmerkende pathologische veranderingen had waarmee ook nu nog heden ten dage de diagnose histopathologisch gesteld wordt. Zijn eerste casus, “Auguste D”, was een typisch voorbeeld van wat nu de “vroege variant van de ziekte van Alzheimer” genoemd wordt (ook wel preseniele vorm genoemd). Bij deze vorm staan geheugenstoornissen en corticale haardverschijnselen (taalstoornissen, problemen in de praktische vaardigheden, problemen in de visuele herkenning, stoornissen in de uitvoerende functies) op de voorgrond. Soms begint de vroege vorm van de ziekte van Alzheimer met corticale haardverschijnselen zonder geheugenstoornissen, waardoor het niet eenvoudig is om de diagnose te stellen. Karakteristiek voor de, meest voorkomende, late variant van de ziekte van Alzheimer, die boven het 70e jaar begint, zijn de geheugenstoornissen, de weinig uitgesproken corticale haardverschijnselen, pathologie van de witte stof van de hersenen en het frequent optreden van verwardheid en psychotische verschijnselen. De meest voorkomende niet-cognitieve psychiatrische symptomen zijn depressiviteit, wanen en visuele hallucinaties. Er zijn inmiddels 3 genen geindentificeerd die geassocieerd zijn met de (zeldzame) familiaire vorm van de ziekte van Alzheimer gelokaliseerd op de chromosomen 9,14 en 21. Deze familiaire vorm komt alleen voor op jonge leeftijd (onder de 65 jaar). Op oudere leetijd is een positieve familieanamnese niet ongebruikelijk, doch zelden is er sprake van een typisch overervingspatroon. De sporadische, seniele variant, is een typische multifactoriele aandoening, waarbij genetische- en omgevingfactoren een rol spelen. Het Apo E4, gelokaliseerd op chromosoom 19, is zo'n genetische risicofactor, die de leeftijd van ontstaan lijkt te vervroegen. Voor de diagnostiek zijn criteria opgesteld waarvan de DSM-IV en de NINCDS-ADRDA de meest gebruikte zijn. Hiermee is de diagnose in de meeste gevallen met een hoge nauwkeurigheid te stellen.
Table 2: Klinische criteria voor de ziekte van Alzheimer volgens de NINCDS-ADRDA werkgroep (McKahn et al. Neurology 1984; 34: 939 -944)
Criteria voor klinische diagnose 'waarschijnlijke' ziekte van Alzheimer
| 1. | Dementie. |
| 2. | Cognitieve dysfunctie in twee of meer domeinen. |
| 3. | Progressieve achteruitgang van geheugen en andere cognitieve functies. |
| 4. | Helder bewustzijn. |
| 5. | Beginleeftijd tussen 40 en 90 jaar. |
| 6. | Afwezigheid van systemische aandoeningen of hersenziekte. |
Ondersteuning voor diagnose
| 1. | Progressieve afasie, apraxie of agnosie. |
| 2. | ADL beperkingen en veranderd gedrag. |
| 3. | Positieve familieanamnese. |
| 4. | Normaal of vertraagd achtergrondpatroon op EEG. |
| 5. | Progressieve atrofie op CT/ MRI. |
| 6. | Routinebepalingen lumbaalpunctie normaal. |
Diagnose minder waarschijnlijk
| 1. | Plotseling begin. |
| 2. | Focale neurologische verschijnselen in een vroeg stadium. |
| 3. | Epilepsie of loopstoornissen in een vroeg stadium. |
Criteria voor klinische diagnose 'mogelijke' ziekte van Alzheimer
| 1. | Dementie van het Alzheimer type. |
| 2. | Aanwezigheid van systemische aandoening of hersenziekte, echter niet de oorzaak van de dementie. |
Fronto-temporale dementie (FTD), progressieve afasie en semantische dementie
Fronto-temporale lobaire degeneratie kan leiden tot een heterogene groep van stoornissen met verschillende klinische en neuropathologische manifestaties. Er zijn drie prototypische neurologische gedragssyndromen die veroorzaakt kunnen worden door fronto-temporale lobaire degeneratie, namelijk
1. fronto-temporale dementie (FTD),
2. progressieve niet vloeiende afasie (PA) en
3. semantische dementie (SD).
FTD wordt gekenmerkt door geleidelijk ontstane gedrags- en persoonlijkheidsverandering, stoornissen in de executieve functies, met pas veel later in het beloop geheugenstoornissen. Er kan sprake zijn van een apathiesyndroom, ontremming of ritualisme.
Table 3: Klinisch-diagnostische kenmerken van frontotemporale dementie (Neary et al., Neurology 1998;51:1546-1554)
- kern diagnostische kenmerken
- sluipend begin en geleidelijk progressie
- vroege achteruitgang in sociaal gedrag
- vroege stoornis in regulatie persoonlijk gedrag
- vroege emotionele vervlakking
- vroeg verlies van inzicht
- ondersteunende diagnostische kenmerken
- gedragsstoornis
- afname van persoonlijk hygiëne en zelfverzorging
- mentale rigiditeit en inflexibiliteit
- verhoogde afleidbaarheid en impersistentie
- hyperoraliteit en diëtaire veranderingen
- perseveratief en stereotiep gedrag
- utilisatiegedrag
- taal en spraak
- veranderde spraak output
- aspontane, spaarzame spraak
- spraakdrang
- stereotiepe spraak
- echolalie
- perseveratie
- mutisme
- veranderde spraak output
- lichamelijke kenmerken
- primitieve reflexen
- incontinentie
- akinesie, rigiditeit en tremor
- lage en instabiele bloeddruk
- aanvullend onderzoek
- neuropsychologie: significante stoornis op frontale testen in afwezigheid van ernstige amnesie, afasie of visuospatiële stoornis
- routine EEG normaal ondanks klinisch evidente dementie
- beeldvormend onderzoek (structureel en/of functioneel): overwegend frontale en/of anterior temporale afwijking
- gedragsstoornis
Progressieve Afasie wordt gekenmerkt door een moeizame, niet vloeiende spraak met grammaticale en fonologische fouten. De patiënten is zich van zijn taalstoornis bewust. Volgend de definitie is hier geen sprake van dementie, maar het beeld kan zich wel ontwikkelen tot een beeld van FTD, vaak pas na een groot aantal jaren.
Table 4: Klinisch diagnostische kenmerken van Progressieve Afasie (Neary et al., Neurology 1998;51:1546-1554)
- kern diagnostische kenmerken
- sluipend begin en geleidelijke progressie
- niet-vloeiende spontane spraak met tenminste één van het volgende: agrammatisme, fonemische parafasieën, anomie
- ondersteunende diagnostische kenmerken
- taal en spraak
- stotteren of orale apraxie
- gestoord nazeggen
- alexie, agrafie
- vroeg behouden zijn van woord-betekenis
- laat mutisme
- gedrag
- vroeg behouden sociale vaardigheden
- laat gedragsverandering als bij FTD
- lichamelijke verschijnselen: late contralaterale primitieve reflexen, akinesie, rigiditeit en tremor
- aanvullend onderzoek:
- neuropsychologisch onderzoek: niet-vloeiende afasie in afwezigheid van ernstige amnesie of visuospatiële stoornis
- EEG normaal of geringe asymmetrische vertraging
- beeldvormend onderzoek (structureel en/of functioneel): asymmetrische afwijking voornamelijk van de dominante (gewoonlijk linker) hemisfeer
- taal en spraak
Semantische Dementie is een syndroom waarbij geleidelijke degradatie van het semantisch geheugen optreedt, dit kan zowel op verbaal als opvisueel niveau zijn. Er treedt een verlies van betekenis van woorden en objecten op. De spraak is veeal vloeiend, met begips- en benoemingsstoornissen. In een later stadium treden ook gedragsstoornissen op, vaak gekenmerkt door dwangmatigheid.
Table 5: Klinisch diagnostische kenmerken van Semantische Dementie (Neary et al., Neurology 1998;51:1546-1554)
- kern diagnostische kenmerken (Semantische Dementie)
- sluipend begin en geleidelijke progressie
- taalstoornis gekenmerkt door:
- progressieve, vloeiende, lege spontane spraak
- verlies van woord betekenis, manifest door gestoord benoemen en
- begripsemantische parafasieën en/of
- perceptuele stoornis gekenmerkt door
- prosopagnosie: gestoorde herkenning van identiteit van familiaire gezichten en/of
- associatieve agnosie: gestoorde objectherkenning
- behouden perceptueel matchen en natekenen
- behouden enkel woord repetitie
- behouden vermogen regelmatige woorden hardop te lezen en schrijven en te schrijven
- ondersteunende diagnostische kenmerken
- taal en spraak
- spraakdrang
- idiosyncratisch woordgebruik
- afwezigheid van fonemische parafasieën
- surface dyslexie en dysgrafie
- behouden rekenen
- gedrag
- verlies van sympathie en empathie
- preoccupaties
- zuinigheid
- lichamelijke kenmerken
- afwezige of late primitieve reflexen
- akinesie, rigiditeit, tremor
- aanvullend onderzoek
- neuropsychologie
- fors semantisch verlies, blijkend uit gestoord woord begrip en –benoemen, en/of gezichts- en object herkenning
- behouden fonologie en syntax, elementaire perceptuele verwerking, ruimtelijke vaardigheden, en episodisch geheugen
- EEG: normaal
- beeldvormend onderzoek (structureel en/of functioneel): voornamelijk anterior temporale afwijkingen (symmetrisch of asymmetrisch)
- neuropsychologie
- taal en spraak
De scheiding tussen de verschillende condities is niet strikt. Er treedt veel overlap op tussen de prototypische syndromen. De generieke term frontotemporale dementie geeft de topografische distributie van een primair degeneratief ziekteproces aan zonder de precieze aard van de histologische veranderingen te omschrijven. De geassocieerde klinische syndromen worden bepaald door de distributie van de pathologie. Een belangrijke overeenkomst is wel dat de geheugenstoornissen in het klinisch beeld niet op de voorgrond staan. Hiermee is tegenstelling is wel de observatie dat de klacht bij eerste presentatie vaak “vergeetachtigheid” luidt, en dat pas bij doorvragen de gedragsstoornissen of taalstoornissen naar voren komen.
In ongeveer 40% van de gevallen is er sprake van een positieve familie-anamnese. Na de ontdekking dat een aantal gevallen van familiaire frontotemporale dementie met mutaties in het tau-gen geassocieerd zijn, richt een deel van het huidige onderzoek zich op de rol van het tau-eiwit in de pathogenese. Echter, niet in alle families met de ziekte worden tau-mutaties gevonden en de grote variatie in klinische presentatie, ook binnen families met dezelfde mutatie, lijkt erop te wijzen dat ook andere factoren, mogelijk omgevingsfactoren, een rol spelen
Vasculaire dementie (VaD)
De term vasculaire dementie (VaD) impliceert de aanwezigheid van een klinisch syndroom (dementie) dat verondersteld wordt veroorzaakt te worden door een specifieke aandoening (vaatlijden). De term vervangt de obsoleet geraakte term "multi-infarct" dementie.
De diagnose VaD wordt gesteld op grond van klinische criteria. Afwezigheid van vasculaire afwijkingen op MRI of CT sluit de diagnose VaD volgens de NINDS-AIREN criteria uit. De kliniek van VaD wordt met name bepaald door de hoeveelheid en de lokatie van de vasculaire afwijkingen in cerebro. Dit kan varieren van een dysexecutief syndroom met traagheid tot een globale corticale dementie met inprentingsstoornissen. Vaak zijn er begeleidende verschijnselen zoals loopstoornissen, urine incontinentie, piramidale en fokale verschijnselen. Riscicofactoren zijn hypertensie, myocardinfarct, roken, diabetes mellitus, boezemfibrilleren, perifeer vaatlijden etc. Deze vorm van dementie is in potentie therapeutisch beïnvloedbaar door behandeling van genoemde risicofactoren, doch dit is nog niet aangetoond.
Bekende cerebrovasculaire aandoeningen die aanleiding geven tot VaD en bij beeldvorming herkend kunnen worden zijn:
- Diffuse witte stofpathologie (M. Binswanger, CADASIL, subcorticale vasculaire dementie),
- (bilaterale) infarcten in de thalamus,
- Strategisch infarcten in
- gyrus angularis
- gyrus singuli
- nucleus caudatus
- hippocampus
- dubbelzijdige infarcten in de stroomgebieden van de arteria cerebri anterior
- arteria cerebri posterior infarct met betrokkenheid van de mediale temporaal kwab
- cerebrale amyloid angiopathie
Tabel 7: NINDS-AIREN criteria voor VaD (Roman et al. Neurology 1993;43:250-260)
Criteria voor 'waarschijnlijke' VaD:
- Dementie, gedefinieerd als cognitief verval zich uitend in: geheugenverlies en verlies van functie in 2 of meer cognitieve domeinen (oriëntatie, aandacht, visouspatiële functies, taal, executieve functies, motor control, praxis), welke interfereert met de dagelijkse bezigheden, waarbij dit niet slechts een gevolg is van de fysieke gevolgen van CVA (vlgs de definitie van The Neurological Adaptation of the International Classification of disease).
- Cerebrovasculaire ziekte (CVD), gedefinieerd als de aanwezigheid van focaal neurologische afwijkingen bij lichamelijk neurologisch onderzoek EN relevante tekenen van CVD op CT of MRI van het brein.
- Relatie tussen 1. en 2., zichtbaar door 1 of meer van de volgende mogelijkheden: (a) begin van dementie binnen 3 maanden na een CVA dat ook als zodanig herkend is; (b) abrupte verslechtering van cognitieve functies; (c) fluctuaties en/of stapsgewijze verslechtering van cognitieve functies.
Relevante radiologische lesies geassocieerd met 'waarschijnlijke' VaD:
Hieraan wordt voldaan indien laesies op de volgende plaatsten (topografie) EN in voldoende ernstige mate (ernst) aanwezig zijn
Topografie:
'large-vessel strokes' in de volgende gebieden:
- bilateraal in verzorgingsgebied van a.cerebri ant.
- verzorgingsgebied van a. cerebri post. van de dominante hemisfeer; inclusief paramediane thalamische laesies en laesies in inferieure mediale temporale kwab
- associatie gebieden van de dominante hemisfeer: parieto-temporaal, temporo-occipitaal (incl. gyrus angularis)
- waterscheidingsgebieden van de dominante hemisfeer: superior frontaal, parietaal 'small-vessel disease':
- lacunes in basale ganglia en frontale witte stof
- uitgebreide periventriculaire witte stof afwijkingen
- bilaterale thalamus laesies ERNST
- large-vessel stroke in de dominante hemisfeer
- bilaterale large-vessel hemisfeer-ischemie
- leukoencephalopathie minimaal 25% van de witte stof omvattend Klinische kenmerken die de diagnose VaD ondersteunen:
- abrupte verslechtering van intellectuele vermogens binnen 3 maanden na CVA met fluctuerend en stapsgewijs verloop
- in anamnese loopstoornissen of vaak vallen
- toegenomen mictiefrequentie en incontinentie vroeg in het ziektebeloop
- bij neurologisch onderzoek:
- focale afwijkingen passend bij CVA (hemiparese, centrale facialiszwakte),
- sensorisch verlies (o.a. gezichtsvelddefecten),
- pseudobulbaire verschijnselen (zwakte v. spieren v. gezicht, tong en farynx, dissociatie van automatische en willekeurige faciale motoriek, moeite met slikken, spastische dysarthrie, 'emotionele incontinentie')
- extrapiramidale verschijnselen, mn rigiditeit en hypokinesie
- depressie, stemmingsveranderingen en andere psychiatrische afw.
- dementie, als boven omschreven
- een van onderstaande mogelijkheden:
- aanwezigheid van focaal neurologische afwijkingen bij lichamelijk neurologisch onderzoek in afwezigheid van radiologische afwijkingen
- geen temporele relatie tussen ontstaan van dementie en de cerebrovasculaire ziekte
Door een groep onderzoekers o.l.v. Timo Erkinjuntti zijn recent criteria gefromuleerd voor subcorticale vasculaire dementie, ter onderscheiding van bovengenoemde VaD criteria, om onderzoek bij dementie veroorzaakt door “small vessel disease” mogelijk te maken (zie referentie op pag...).
Dementie met Lewy Lichaampjes (DLB)
De status van dementie met Lewy lichaampjes (DLB) als nieuwe entiteit is nog steeds controversieel omdat zowel klinisch als morfologisch een overlap met de ziekte van Alzheimer en de ziekte van Parkinson wordt gevonden. In 1995 werd voor het eerst een consensus conferentie georganiseerd, waarbij klinische en neuropathologische criteria werden vastgesteld voor de diagnostiek van DLB. In 1999 vond een tweede consensusbijeenkomst plaats die betrekking had op de diagnose, therapie, aetiologie , pathologie en nosologie van dit syndroom. De incidentie en prevalentie van dit ziektebeeld zijn nog onbekend.
Het dementiesyndroom bij DLB kenmerkt zich door progressieve cognitieve achteruitgang met stoornissen in uitvoerende taken en uitgesproken visuo-spatïele stoornissen. In een vroeg stadium zijn aandachtsstoornissen, problemen met concept formatie en de mentale flexibiliteit aanwezig. De vastgestelde stoornissen veroorzaken al in een vroeg stadium een beperking van het sociaal en beroepsmatig functioneren. Uitgesproken geheugenstoornissen kunnen in het begin echter ontbreken. Indien aanwezig, hebben deze geheugenstoornissen niet het karakter van stoornissen in het leervermogen zoals bij corticale dementie, maar bestaan uit vergeetachtigheid met relatief intacte recognitie.
De ernst van de cognitieve stoornissen kan van dag tot dag, maar ook van minuut tot minuut of van uur tot uur wisselen. In het begin kan normaal cognitief functioneren afgewisseld worden met cognitieve stoornissen. Deze cognitieve stoornissen worden veroorzaakt door aandacht- en concentratiestoornissen. Daarnaast is er bij patiënten overdag regelmatig sprake van excessieve slaapbehoefte in een niet stimulerende omgeving. Het vaststellen van deze fluctuaties is afhankelijk van een goede heteroanamnese en/of observatie.
Visuele hallucinaties komen significant vaker voor bij DLB dan bij de ziekte van Alzheimer. Het verschil in voorkomen van met name visuele hallucinaties en waanachtige denkbeelden is echter voornamelijk aanwezig in een vroege fase van het dementiesyndroom. Akoestische of auditieve hallucinaties komen in dit verband nooit of zelden voor. Vroege psychiatrische symptomatologie in het verloop van een dementiesyndroom wijst derhalve mogelijk op DLB. Extrapiramidale verschijnselen zoals rigiditeit en bradykinesie zijn belangrijke symptomen die de klinische diagnose van DLB steunen. Tremoren lijken daarentegen minder vaak voor te komen bij (met name oudere) patiënten. De volgorde van optreden van deze motorische verschijnselen en cognitieve stoornissen is variabel. Motorische verschijnselen kunnen voorafgaan aan cognitieve verschijnselen maar ook gelijktijdig ontstaan. In de consensus wordt gesuggereerd dat het ontstaan van beide symptoomcomplexen binnen een jaar een diagnose van een mogelijk syndroom van DLB rechtvaardigt. Laat in het verloop van het dementiesyndroom ontstane extrapiramidale verschijnselen sluiten de diagnose niet uit, maar maken de diagnose minder waarschijnlijk, aangezien ook andere ziektes die gepaard gaan met een dementiesyndroom, met name de ziekte van Alzheimer, extrapiramidale verschijnselen kunnen vertonen.
Symptomen die de diagnose van DLB steunen zijn frequent vallen, syncopes en tijdelijk bewustzijnverlies alsmede zeer ernstige (extrapiramidale) bijwerkingen en averechts effect bij gebruik van neuroleptica. Daarnaast zouden REM-slaap stoornissen vaker bij DLB voorkomen.
Tabel 8: Diagnostische criteria voor waarschijnlijke en mogelijke DLB (McKeith. et al. Neurology 1999; 53:902-905)
- Progressieve cognitieve achteruitgang die interfereert met normale sociale of beroepsmatige functies. Er zijn defecten in testen van aandacht, frontale functies, en visuoruimtelijke vaardigheden. Geheugenstoornissen hoeven in het beginstadium niet aanwezig te zijn, maar verschijnen meestal bij ziekteprogressie.
- Indien twee of drie van de volgende symptomen aanwezig: waarschijnlijke DLB; indien 1 symptoom: mogelijke DLB:
- Fluctuaties in cognitie, aandacht, en alertheid
- Recidiverende visuele hallucinaties
- Geringe verschijnselen van parkinsonisme
- Symptomen die de diagnose ondersteunen:
- Frequent vallen
- Syncope
- Tijdelijk verlies van bewustzijn
- Overgevoeligheid voor neuroleptica
- Wanen
- Niet-visuele hallucinaties
- Symptomen die de diagnose niet ondersteunen:
- Cerebrovasculaire aandoening, ofwel blijkend uit focale neurologische afwijkingen of uit beeldvorming
- Andere hersenziekte die het klinisch beeld kan verklaren
De ziekte van Creutzfeldt-Jakob
De ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD) behoort tot de groep van de overdraagbare spongiforme encephalopathiëen of prionziekten, waartoe ook scrapie, bovine spongiforme encephalopathie (BSE), Kuru, de ziekte van Gerstmann-Straussler-Scheinker en fatale familiaire insomnia behoren. De ziekte wordt overgedragen via een klein protease-resistent prion eiwit (PrP). Het prioneiwit zorgt ervoor dat in de gastheer de isoform van dit prion –een protease-sensitief membraangebonden glycoproteine- agglutineert tot een onoplosbaar eiwit dat neerslaat. Dit leidt tot de typische spongiforme veranderingen, astrocytose en verlies van neuronen in de hersenen. CJD heeft een wereldwijde incidentie van 0,5-1.5 ziektegevallen per miljoen/jaar. In ongeveer 85% van de gevallen is er geen oorzaak voor de ziekte te vinden; deze wordt de sporadische variant genoemd. 10%-15% van de patiënten heeft een familiaire vorm van de ziekte waarbij er sprake is van een autosomaal dominante overerving, veroorzaakt door mutaties en deleties in het PrP-gen op chromosoom 20. Hiernaast is er de iatrogene vorm, waarbij besmetting optreedt via geinfecteerd materiaal, zoals bij neurochirurgisch ingrijpen of gebruik van humaan groeihormoon.
Veel ophef is ontstaan over de nieuwe variant van CJD, meest waarschijnlijk overgedragen door het eten van produkten van koeien besmet met BSE (gekke koeien ziekte). Deze vorm van CJD is tot dusver niet in Nederland aangetroffen.
De sporadische vorm van CJD treedt in 80% van de gevallen op tussen 50 en 70 jaar.
Prodromale symptomen treden op bij ongeveer éénderde van de patiënten. Deze bestaan uit algehele zwakheid, veranderd slaap- en eetpatroon, en gewichtsverlies. In éénderde deel van de patiënten begint de ziekte met geheugenproblemen, hogere corticale functiestoornissen of verwardheid. Vrij snel ontstaan ook cerebellaire symptomen zoals ataxie (70%) en visuele stoornissen zoals dubbelzien, verminderde visus of hemianopsie. Bij progressie van het ziektebeeld ontstaan meestal binnen enkele maanden globale dementie (100%), myocloniëen (78%), rigiditeit, piramidale en extrapiramidale verschijnselen en akinetisch mutisme. Hiernaast komen insulten voor, maar ook stoornissen van het motorisch neuron zijn beschreven waarbij atrofie en fasciculaties. De meeste patiënten overlijden binnen een jaar. Het klinisch beeld van de familiaire vorm van CJD verschilt nauwelijks van de sporadische vorm, meestal openbaart de ziekte zich op jongere leeftijd. Patiënten met de nieuwe variant van CJD presenteren zich met psychiatrische symptomen zoals depressie, angst of veranderd gedrag. Opvallend zijn in het begin ook gevoelsstoornissen zoals paresthesiëen of dysesthesiëen. Na gemiddeld 6 maanden onstaat ataxie, gevolgd door onwillekeurige bewegingen zoals myocloniëen of chorea, en cognitieve achteruitgang met mutisme. De ziekte begint meestal op jongere leeftijd, gemiddeld 29 jaar, en duurt gemiddeld 14 maanden. De iatrogene vorm van CJD begint in veel gevallen met cerebellaire symptomen.
Met de criteria volgens Masters is een 'possible' of 'probable' diagnose te stellen. Bepaling van het 14-3-3 eiwit in de CSF heeft een zeer hoge sensitiviteit en specificiteit voor de sporadische vorm van CJD, gevolgd door de karakteristieke afwijkingen op het EEG.
Tabel 9: Criteria voor CJD (gemodificeerd naar Masters et al. Ann Neurol 1979;5:177-188)
Waarschijnlijk CJD
| 1. | Progressieve dementie |
Tenminste één van de volgende kenmerken:
| 1. | Myoclonus |
| 2. | Pyramidale stoornissen |
| 3. | Extrapiramidale stoornissen |
| 4. | Cerebellaire verschijnselen |
| 5. | Periodieke, bifasische of trifasische scherpe golfcomplexen op het EEG |
Mogelijk CJD
| 1. | Progressieve dementie in de anamnese, (nog) niet bevestigd bij onderzoek |
In combinatie met:
| A. | Myoclonus en klinisch beloop van minder dan drie jaar |
| B. | Familielid met definitief of waarschijnlijk CJD |
| C. | Tenminste twee van de bovengenoemde kenmerken in combinatie met vroege tekenen van een stoornis van het motorisch neuron |
Overige dementiesyndromen
De ziekte van Huntington
De ziekte van Huntington is een aandoening waarbij dementie optreedt en die zich verder kenmerkt door het voorkomen van chorea en psychiatrische stoornissen. De ziekte begint gewoonlijk tussen het 25e en 45e jaar, met een grote spreiding. De dementie wordt gekenmerkt door vertraging van informatieverwerking en executieve stoornissen. Daarnaast kunnen depressieve, en in mindere mate psychotische episodes optreden. De choreatiforme bewegingen staan niet altijd op de voorgrond. Ook dystonie, oogbewegingsstoornissen en slikproblemen kunnen voorkomen. De ziekte is autosomaal dominant erfelijk. Met behulp van DNA-onderzoek kan de diagnose met zekerheid gesteld worden.
Corticobasale degeneratie
Corticobasale degeneratie is een syndroom waarbij asymmetrische motorische verschijnselen en dementie optreden. De beginleeftijd is 50 tot 80 jaar. Klinisch staan de motorische verschijselen op de voorgrond, bestaande uit gelateraliseerde extrapiramidale symptomen zoals dystonie, en het zogenaamde “alien hand” syndroom. De dementie gaat vaak gepaard met ernstige apraxie en executieve stoornissen. Later in het beloop kunnen gedragsstoornissen optreden. Vaak vindt men bij deze aandoening asymmetrische atrofie van de paracentrale pariëtale en frontale cortex.
Progressive supranuclear palsy
Progressive supranuclear palsy (PSP), ook wel het syndroom van Steele-Richardson-Olszewski, wordt gekenmerkt door parkinsonisme, oogbewegingsstoornissen en dementie. De beginleeftijd is 50-80 jaar. De klinische verschijnselen bestaan uit voornamelijk axiale rigidititeit, loopstoornissen met neiging tot retropulsie en een verticale blikparese, waarbij het neerwaarts blikken meestal het sterkst is aangedaan. De dementie gaat gepaard met bradyfrenie, persoonlijkheidsverandering en executieve stoornissen. Ook depressies en schizofreniforme psychosen kunnen voorkomen.
X-ALD
X-gebonden leukodystrofie is een erfelijke aandoening die zich kan manifesteren met verschillende fenotypen. Als de ziekte op volwassen leeftijd begint, bestaat het klinisch beeld meestal uit een spastische paraparese, gnostische sensibiliteitsstoornissen en incontinentie. In ongeveer 20% van de gevallen wordt dit gevolgd door een vrij snel progressief beeld van cerebrale demyelinisatie. In andere gevallen kunnen er milde cognitieve stoornissen aanwezig zijn, met een subcorticaal profiel. De diagnose stelt men op basis van een verhoogd gehalte zeer lange keten vetzuren in plasma en gekweekte huidfibroblasten of mutatie-analyse van het X-ALD gen. Andere vormen van leukodystrofieën die op volwassen leeftijd kunnen optreden zijn: metachromatische leukodystrofie, globoïdcelleukodystrofie en cerebrotendineuze xanthomatosis. Bij al deze aandoeningen komen zowel centrale als perifere neurologische symptomen voor, waarbij dementie één van de mogelijke presentaties is.

